|
|
|
Aan de Nederlandse universiteiten en hogescholen ontstonden in de zomer van 1940 uitingen van protest tegen de Duitse bezetter. Toen de eerste anti-joodse maatregelen werden genomen (ontslag van joodse hoogleraren) kwam het tot acties. Een groot aantal Leidse studenten ondertekende een protestnota aan Rijkscommissaris Seyss-Inquart. Aan de Technische Hogeschool in Delft kwam het in november tot een studentenstaking. Het Duitse antwoord kwam onmiddellijk: de TH werd gesloten!
Het studentenverzet werd landelijk gebundeld. In augustus 1940 werd de Nederlandse Studenten Federatie opgericht. Het secretariaat was in handen van het Leids Studenten Corps. Doel van de Federatie was 'handhaving van de bij ons volkskarakter aansluitende geestelijke vrijheid in het openbare leven, met volledige erkenning van de noodzakelijke handhaving van orde en gezag'.
Een van de eerste daden van de Federatie was het zenden van een protestbrief aan het college van secretarissen-generaal, na het vertrek van de regering naar Londen de hoogste ambtenaren in Nederland. De tekst raakte bekend in onder andere Amsterdam, waar hij werd gedrukt en verspreid, en Nijmegen, waar hij in het studentenblad Vox Carolina werd opgenomen.
|
|
naar boven
|
|
|
|
De Nederlandse Studenten Federatie werd in 1941 opgeheven. Het studentenverzet stond toen op een laag pitje. Veel studenten wilden maar één ding: zo spoedig mogelijk afstuderen. Strijdbare studenten hadden zich vaak al bij verzetsgroepen buiten de universiteit aangesloten.
Toch kwam het in 1942 tot een nieuwe bundeling van studentenverzet. In Utrecht kwamen vertegenwoordigers van alle tien universiteiten en hogescholen bijeen. Het kwam tot de oprichting van de ‘Raad van Negen’ van elk instituut een afgevaardigde; de beide Amsterdamse universiteiten werden door één persoon vertegenwoordigd. In alle universiteitssteden werden vanuit de Raad verzetsorganisaties opgebouwd. Nijmegen was in de Raad vertegenwoordigd door Jos van Hövell van Wezeveld en Westerflier, die in 1942 praeses van het Nijmeegse Studenten Corps was geworden.
|
|
naar boven
|
|
|
|
De maatregel in december 1942 van de pro-Duitse secretaris-generaal van Onderwijs Van Dam dat ongeveer 6000 studenten in Duitsland zouden worden tewerkgesteld veroorzaakte grote onrust. Weliswaar werd de maatregel ongedaan gemaakt, maar bij razzia’s in begin 1943 werden veel jonge mannen, waaronder studenten, opgepakt en naar het concentratiekamp Vught overgebracht.
In februari 1943 kwam Van Dam met een aantal nieuwe maatregelen. Afgestudeerde studenten zouden in Duitsland voor een jaar worden tewerkgesteld. Verder moesten de Nederlandse studenten de zogeheten loyaliteitsverklaring ondertekenen. Deze hield in dat men niets tegen de Duitse bezetter zou ondernemen. De Raad van Negen keerde zich onmiddellijk tegen de maatregelen. Van de ongeveer 15.000 studenten tekenden uiteindelijk 2000 de loyaliteitsverklaring (ca. 13 procent). Aan de Rooms-Katholieke Universiteit van Nijmegen tekende slechts 0,1 procent, aan de Technische Hogeschool van Delft 25 procent.
De meeste universitaire instellingen werden door hun besturen gesloten. Veel hoogleraren werkten echter clandestien door en gaven college aan kleine groepjes studenten.
De situatie voor de studenten werd nijpender in mei 1943. Na de April-Meistaking van dat jaar riepen de Duitse autoriteiten alle 9000 studenten in Nederland, die de loyaliteitsverklaring nog niet hadden getekend, op voor tewerkstelling in Duitsland. Bijna 4000 van hen meldden zich, de overigen doken onder.
|
|
naar boven
|
|
|
|
In 1943 was het universitaire leven voor een groot deel tot stilstand gekomen. Een aantal studenten sloot zich aan bij verzetsgroepen, onder andere bij de groep CS-6. CS-6 hield zich bezig met het plegen van aanslagen op gevaarlijke personen, zoals de NSB-commissaris van politie in Nijmegen, en op Duitse treinen en opslagplaatsen. In Nijmegen was A. Fredericks de contactpersoon van CS-6. Lid van zijn groep was onder meer Jos van Hövell.
De groep was ontstaan als reactie op het oppakken van joodse families in Nijmegen, eind 1942. De leden verspreidden illegale pamfletten, die ze in een eigen drukkerij maakten. Ook drukten ze valse verlofpasjes, waarmee in Duitsland tewerkgestelde personen vanuit Emmerich naar Nederland konden terugkeren om vervolgens onder te duiken.
Jos van Hövell had de algemene leiding, Fredericks zelf zorgde voor pers en propaganda. Van de verzetsgroep CS-6 kreeg de Nijmeegse groep wapens en materiaal. Zo ontving men de springstof trotyl voor het opblazen van de NS-telegraafpalen. Die actie is echter niet doorgegaan.
|
|
naar boven
|
|
|
|
De Nijmeegse studentenverzetsgroep had tot het uitbreken van de April-Meistaking op 29 april 1943 nog niet veel bereikt. Dit veranderde op slag door deze staking, waarmee werd geprotesteerd tegen het terugvoeren in krijgsgevangenschap van het Nederlandse leger. De groep-Fredericks besloot in Den Haag actie te ondernemen door het gebouw, waarin de gegevens van de Nederlandse militairen lagen opgeslagen, op te blazen.
Jos van Hövell reisde alvast naar Den Haag; enkele andere leden van de groep groeven de trotyl op, die in een tuin in Nijmegen was begraven. Fredericks ging naar zijn illegale drukkerij om een stakingsoproep te stencillen. Nog dezelfde dag werd hij waarschijnlijk door verraad gearresteerd, overgebracht naar Hengelo en daar door een Duits Politiestandgerecht ter dood veroordeeld en gefusilleerd. Van Hövell zette zijn illegale werk voort. Hij was actief bij het verspreiden van het illegale studentenblad 'De Geus' en daarnaast districtsvertegenwoordiger van het Nationaal Comité van Verzet.
Op 28 maart 1944 werd Jos van Hövell gearresteerd in het huis van een vriend in Den Haag. Hij werd overgebracht naar het Oranjehotel. Na drie maanden volgde overbrenging naar het concentratiekamp Vught en vervolgens in september 1944 naar het kamp Neuengamme bij Hamburg. Daar overleed hij op 5 januari 1945 door uitputting. Op 7 mei 1946 werd hem postuum het Verzetskruis 1940-1945 toegekend.
|
|
naar boven
|
|