nationaal archief zoek in de database reageer colofon home
Gevangenen
  Introductie   Oranjehotel   Profielwerkstuk
Onderzoeksvoorbeelden Zelf onderzoek doen Zoeken in de database
 

Hulp aan onderduikers

 

Door de inval van de Duitsers in Nederland in mei 1940 ontstond een bijzonder moeilijke situatie voor de ongeveer 140.000 joden in ons land. Onder hen bevond zich een grote groep uit Duitsland gevluchte joden, van wie Anne Frank later de bekendste zou worden.

In het najaar van 1940 werden de eerste discriminerende maatregelen afgekondigd. Zo werden joden uit overheidsfuncties ontslagen en geweerd uit onder andere bioscopen en parken. Hun ware gezicht lieten de Duitsers zien in februari 1941. Na een incident in een joodse ijssalon in Amsterdam werden 425 joodse jongens opgepakt. Zij werden gedeporteerd naar het concentratiekamp Mauthausen in Oostenrijk en kwamen allemaal om. In Amsterdam kwam het tot een protestactie van de bevolking, de Februaristaking, die zich voornamelijk in West-Nederland uitbreidde.

Toen de Duitsers begin 1942 besloten tot de ‘Endlösung der Judenfrage’, die de uiteindelijke vernietiging van de joden in Europa tot doel had, werd de situatie voor de joden in Nederland ronduit gevaarlijk. Slechts weinigen van hen hadden in mei 1940 kans gezien het land te verlaten, en daarna was het bijna niet meer mogelijk te vluchten. Toen de eerste razzia’s begonnen met als doel joden op te pakken, zogenaamd voor tewerkstelling in Oost-Europa, ontstond de noodzaak om onder te duiken. De Duitse politie was nadrukkelijk aanwezig, met name op stations en in treinen; verder loerde het verraad in het dichtbevolkte Nederland overal. Het onderbrengen van joodse onderduikers en het overbrengen van joden naar schuiladressen was daardoor een moeilijke en gevaarlijke zaak. Ontdekking van joodse onderduikers betekende niet alleen een bijna zekere dood voor de joden, maar ook zware straffen voor degenen die hen hadden geholpen. Toch riskeerden veel Nederlanders de gevaren. Desondanks zijn meer dan honderdduizend joden uit Nederland weggevoerd, via het kamp Westerbork in Drenthe naar de vernietigingskampen Auschwitz en Sobibor in Polen. Slechts weinigen zijn teruggekeerd.

Een van de Nederlandse families, die joodse en andere onderduikers geholpen heeft en daarvoor een zware tol heeft moeten betalen, is de familie Ten Boom uit Haarlem.

 

naar boven

De familie Ten Boom

 

In het hartje van de Haarlemse binnenstad, in de Barteljorisstraat (de BéJé), was sinds jaar en dag de horlogerie Ten Boom gevestigd. In 1943 was de zaak eigendom van Casper ten Boom, toen 84 jaar oud. Hij genoot groot aanzien in Haarlem; hij was onder meer voorzitter geweest van de Kamer van Koophandel. Hij had, samen met zijn dochters Elisabeth (Betsie of ‘tante Bep’) en Corrie (‘tante Kees‘), vanuit een diepgeworteld christelijk geloof een sterke verbondenheid met het jodendom. Zo wilde Casper ten Boom, op de dag dat alle Haarlemse joden een gele Davidsster moesten ophalen op het stadhuis, daar ook heen om een ster te halen, met de bedoeling die uit solidariteit met de joden op zijn jas te naaien. Met moeite is hij van dit voornemen afgehouden.

Haast vanzelfsprekend was het huis van Ten Boom beschikbaar voor onderduikers. Naast joodse onderduikers waren dat in 1943 vooral jonge mannen. In april 1943 hadden de Duitsers het Nederlandse leger weer in krijgsgevangenschap teruggeroepen. Duitsland had dringend arbeidskrachten nodig voor zijn oorlogsindustrie. De ‘Arbeitseinsatz‘ in de bezette gebieden moest in die behoefte voorzien. Veel jonge mannen, onder wie een groot aantal studenten, doken onder.

De eerste onderduiker in huize Ten Boom was een student, Hans Poley, die na de oorlog zijn ervaringen op schrift heeft gesteld.

In het huis werd op de tweede verdieping, achter de slaapkamer van Corrie ten Boom, een schuilplaats gebouwd van ongeveer 2,5 meter lang en 70 centimeter breed. Deze ruimte, de 'Schuilplaats' of de 'Engelenbak' genaamd, kon worden bereikt via een kast. Bij huiszoekingen konden vijf tot zes personen er een tijdelijke schuilplaats vinden. Ook bevond zich in de 'Schuilplaats' een radio waarmee men Radio Oranje, de Nederlandse zender in Londen, kon beluisteren. Het huis bood overigens weinig comfort; er was geen wasmachine, geen centrale verwarming, bad of douche. Er was een koude kraan in de jongenskamer; alle anderen moesten zich wassen met een lampetkan en -kom.

Een bijzondere onderduiker in de BéJé was Meijer Mossel (Eusi), die chazan (voorzanger) was van de joodse gemeente in Amsterdam. Zijn krachtige stemgeluid was tot buiten het huis hoorbaar en vormde een gevaar. Regelmatig moest men hem vragen zijn volume wat te dempen.

Voor het overige hielden de onderduikers zich met van alles bezig: van muziek maken, toneelspelen, EHBO en sterrenkunde tot een cursus Italiaans. Een van de onderduiksters was een Italiaanse.

Het huishouden werd gedaan door Betsie ten Boom. Een bijzonder probleem vormde de voedselvoorziening; voedsel was alleen met distributiebonnen te verkrijgen en onderduikers hadden die niet. De LO (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers) leverde distributiebonnen, die vaak door overvallen op distributiekantoren waren buitgemaakt.

 

naar boven

Arrestatie

 

Door verraad kwam de Duitse Sicherheitsdienst achter de illegale activiteiten van de familie Ten Boom. Op 28 februari 1944 viel de SD, samen met Haarlemse politiemannen, het huis aan de Barteljorisstraat binnen. Iedereen die daar werd aangetroffen werd meegenomen naar het nabijgelegen politiebureau in de Smedestraat. Onder de 21 arrestanten bevonden zich Caspar ten Boom en zijn dochters Betsie, Corrie en Nollie. De zes onderduikers in de 'Schuilplaats' werden ondanks intensief speurwerk echter niet gevonden! Zij bleven nog enkele dagen, met alleen wat biscuit als voedsel, in de zeer kleine ruimte. Ze zijn vervolgens door het verzet naar andere onderduikadressen gebracht. Enkele zijn later alsnog opgepakt, maar drie van hen overleefden de oorlog, onder wie de joodse voorzanger.

Casper ten Boom en zijn dochters werden per bus naar het Oranjehotel overgebracht. Caspar was zeer verzwakt; na acht dagen werd hij uit zijn cel 401 gehaald en overgebracht naar een kliniek in Loosduinen, waar hij overleed. Hij is na de oorlog herbegraven op de Erebegraafplaats Loenen.

Betsie en Corrie ten Boom zaten in Scheveningen in aparte cellen. Ze werden door de Gestapo ondervraagd, maar niet mishandeld. Ze namen alle schuld op zich, waardoor de overige gearresteerden vrijuit gingen en uit het Oranjehotel werden ontslagen. Op 6 juni 1944 werden Betsie en Corrie ten Boom overgebracht naar het concentratiekamp Vught. Vandaar werden ze begin september op transport gesteld naar het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück. In december 1944 is Betsie ten Boom daar aan algehele uitputting gestorven.

Corrie ten Boom overleefde de ontberingen van het concentratiekamp. Zij werd, waarschijnlijk als gevolg van een administratieve vergissing, vrijgelaten uit Ravensbrück. Zij reisde terug naar Haarlem, waar ze het huis aan de Barteljorisstraat leeg, en nog door de SD verzegeld, aantrof. Daar maakte ze de bevrijding van Haarlem mee.

 

naar boven

Corrie ten Boom na de oorlog

 

Corrie ten Boom heeft zich ook na de bevrijding ingezet voor oorlogsslachtoffers. In de buitenplaatsen Kareol en Schapenduinen in Bloemendaal werd opvang geregeld. Later werkte ze ook in Duitsland.

Haar geloof was en bleef de drijvende kracht in haar leven. Zij kon zelfs vergeving schenken aan de verrader van de Barteljorisstraat.

Na de oorlog reisde ze de hele wereld over; ze bezocht niet minder dan 64 landen om haar geloof uit te dragen. Ze werd bekend als de ‘Zwerfster voor God’. Ze verbleef veel in de Verenigde Staten, waar ze een huis kocht, dat de naam Shalom kreeg. Haar boeken werden in diverse talen vertaald; de film The Hiding Place over het leven in de Barteljorisstraat in de oorlog werd een groot succes. Corrie ten Boom overleed in 1983 in de Verenigde Staten.

In Haarlem bevindt zich het Corrie ten Boomhuis, gedenkplaats en museum tegelijk. Hier zijn niet alleen de 'Schuilplaats' en de onderkomens van de onderduikers te bezichtigen maar ook veel documenten uit de oorlogstijd.

 

naar boven