| Na de oorlog wordt duidelijk dat de meeste mensen die naar de concentratie- of gevangenkampen zijn vervoerd niet meer zullen terugkeren. Omdat er geen overlijdensverklaringen zijn opgesteld, gelden deze mensen formeel als vermist. De familieleden van de vermisten hebben geen recht op diens bezittingen; men kan geen nieuw huwelijk sluiten noch krijgt men weduwen- en wezenpensioen. De regering neemt in 1949 daarom de 'Wet, houdende voorzieningen betreffende het opmaken van akten van overlijden van vermisten' aan.
De bij deze wet ingestelde Commissie tracht de plaats en datum van overlijden van vermisten te achterhalen. Dit gebeurt onder meer op basis van getuigenverklaringen maar ook van kampadministraties. De Commissie legt van elke vermiste een dossier aan. Op een formulier tekent men de persoonlijke gegevens aan en de gevonden informatie. Zijn de plaats en datum van overlijden met zekerheid vastgesteld, dan publiceert men de aangifte van overlijden in de Staatscourant en schrijft de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de woonplaats van de overledene de aangifte in de overlijdensregisters in.
Het onderzoek naar het overlijden van R.M.L.C. Norenburg eindigt in Bergen-Belsen. Iedereen die het kamp heeft overleefd, is geregistreerd. R.M.L.C. Norenburg staat daar niet bij. |